Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden

Ordewet betreffende de aanwijzing van regio’s en de bijeenkomsten van Voorzittend-Meesters.



Zoals gewijzigd bij besluit van het Grootoosten van 19 juni 1976.


Art. 1.
Het Hoofdbestuur wijst voor de Loges in Nederland regio’s aan. waartoe elke loge behoort. In deze aanwijzing kan zo nodig wijziging worden aangebracht.

Art. 2.
De voorzitters van de loges in een regio komen geregeld bijeen onder leiding van een door het Hoofdbestuur aan te wijzen Grootofficier. Bij verhindering van deze Grootofficier neemt de oudst in jaren zijnde voorzittend-meester zijn functie waar.

Art. 3.
Deze bijeenkomsten - regioconventen genoemd - zijn bedoeld voor overleg ter bevordering van goed onderling contact en ter bespreking van Orde- en logeaangelegenheden.

Art. 4.
Indien een voorzittend-meester verhinderd is, wordt hij vervangen door zijn plaatsvervanger volgens logevoorschrift.

Art. 5.
In onderling beraad belast één van de loges zich met de administratieve werkzaamheden welke nodig zijn om het overleg, bedoeld in artikel 3, te bewerkstelligen. Van iedere bijeenkomst wordt een verslag gemaakt, dat aan het Hoofdbestuur wordt toegezonden.

Art. 6.
Naast deze regioconventen kan het Hoofdbestuur één of meerdere vergaderingen per jaar bijeenroepen van alle voorzittend-meesters der in Nederland gevestigde loges en vrijmetselaarskringen of hun plaatsvervangers en van vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 47 van de Ordegrondwet.
Heeft een buiten Nederland gevestigde loge meer dan één vertegenwoordiger, dan wordt alleen de oudstbenoemde opgeroepen, die zich kan doen vervangen door een andere.
Deze bijeenkomsten worden Meesterconvent genoemd.

Art. 7.
Een Meesterconvent wordt gehouden op daartoe aan het Hoofdbestuur gericht schriftelijk gemotiveerd verzoek van één of meerdere regioconventen dan wel van tenminste tien voorzittend-meesters of vertegenwoordigers, als bedoeld in artikel 47 van de Ordegrondwet.

Art. 8.
Het doel van een Meesterconvent is:
a. besprekingen van belangrijke Orde- en loge-aangelegenheden;
b. het uitbrengen van adviezen aan het Hoofdbestuur.

Art. 9.
De bijeenroeping tot een Meesterconvent wordt tijdig in het Algemeen Maçonniek Tijdschrift opgenomen met vermelding van de onderwerpen, waarover beraadslaagd zal worden. Bindende besluiten worden niet genomen.

Art. 10.
De Grootmeester is de leider van het Meesterconvent. Bij zijn ontstentenis treedt de Gedeputeerd Grootmeester als zodanig op en, is ook deze afwezig, één der andere Grootofficieren in de rangorde, waarin hun functiën zijn genoemd in het zevende lid van artikel 28 der Ordegrondwet.

Art. 11.
De aanwezigen ter vergadering van een Meesterconvent genieten reis- en verblijfkosten overeenkomstig het bepaalde bij Ordewet IV.


terug naar vorige pagina